149. Dom--onwetend--onkundig--onnoozel.

_Weinig verstand of kennis bezittend._

~Dom~ zegt men van iemand, die een zeer traag verstand bezit, die vele

zaken niet of zeer moeilijk kan begrijpen en daardoor in het algemeen

weinig kennis zal bezitten. _Hij is veel te ~dom~ om voor dokter te

studeeren. Hij is nog te ~dom~ om in de volgende klasse te komen._ Soms

beteekent het ook gebrek aan doorzicht: _hij heeft een ~dommen~ streek

uitgehaald_.

~Onnoozel~ duidt aan, dat iemand slechts zwakke geestvermogens en

daardoor een zeer beperkt verstand bezit, zoodat hij geen blijken kan

geven met oordeel te handelen. _Die jongen is ~onnoozel~. De ~onnoozele~

hals geloofde alles, wat wij zeiden._

~Onkundig~ en ~onwetend~ wijzen beide op gemis aan kennis, zonder

daarbij op den natuurlijken aanleg te letten. ~Onkundig~ heeft meer

betrekking op de kennis van een bepaalde zaak, ~onwetend~ ziet meer op

het ontbreken van algemeene kennis. _Men liet de vrouw lang ~onkundig~

van den dood harer zuster.--Hij is wel vlug van begrip, maar hij heeft

weinig onderwijs genoten, zoodat hij zeer ~onwetend~ is._

* * * * *

Het -- volk beschuldigde de geneesheeren, dat zij de cholera-lijders

vergiftigd hadden.

Zij was -- genoeg te meenen, dat men op haar gezelschap gesteld was.

De regeering is nog -- van de samenzwering, die er dreigt.

Hij is in vele dingen nog zoo --, dat men hem gemakkelijk bedriegen kan.

Al mag die jongen ook niet -- zijn, hij ziet er toch in elk geval zeer

-- uit.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 166 / 279 题