_Meer of minder sterk op het gemoed werken._
~Aandoen~ wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of
van medelijden; soms ook van vreugde. _Bij het afscheid was hij zeer
~aangedaan~. Deze hulde ~deed~ den jubilaris zoo ~aan~, dat hij niets
kon zeggen._
~Treffen~ is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed
doordringt. _Het was ~treffend~ te zien, hoezeer de gelukkige moeder den
redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde._
~Roeren~ is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren
aanroert; het is dus inniger dan aandoen. _De omstanders waren
~getroffen~, toen zij zagen, hoe ~roerend~ de moeder den redder van haar
kind dankte._
~Schokken~ duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen
of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van
schrik. _De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep ~geschokt~._
* * * * *
Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer --.
Door zooveel blijken van innige deelneming diep --, had hij moeite zijn
dank uit te spreken.
Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo --, dat men voor
zijn leven vreest.
De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een -- smeekbede om
gratie voor haar echtgenoot.
Het »Haantje van den Toren" kan niemand lezen, zonder -- te worden; vele
passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep --; het --
ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de
deur en, het -- ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis
eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait.