153. Aandoen--treffen--roeren--schokken.

_Meer of minder sterk op het gemoed werken._

~Aandoen~ wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of

van medelijden; soms ook van vreugde. _Bij het afscheid was hij zeer

~aangedaan~. Deze hulde ~deed~ den jubilaris zoo ~aan~, dat hij niets

kon zeggen._

~Treffen~ is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed

doordringt. _Het was ~treffend~ te zien, hoezeer de gelukkige moeder den

redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde._

~Roeren~ is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren

aanroert; het is dus inniger dan aandoen. _De omstanders waren

~getroffen~, toen zij zagen, hoe ~roerend~ de moeder den redder van haar

kind dankte._

~Schokken~ duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen

of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van

schrik. _De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep ~geschokt~._

* * * * *

Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer --.

Door zooveel blijken van innige deelneming diep --, had hij moeite zijn

dank uit te spreken.

Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo --, dat men voor

zijn leven vreest.

De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een -- smeekbede om

gratie voor haar echtgenoot.

Het »Haantje van den Toren" kan niemand lezen, zonder -- te worden; vele

passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep --; het --

ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de

deur en, het -- ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis

eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 170 / 279 题