_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._
~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander
staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._
Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men
van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de
richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen
~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze
regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief)
_en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd).
* * * * *
De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd
werd.
Pas op, de tafel staat --.
Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om
het beter te belichten.
Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht.
Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten.
Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den
bakker.
Wat loopt hij zijn hakken --.
Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken.
Hij heeft den hoed -- opgezet.
De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven.