79. Dwars--scheef--schuin.

_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._

~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander

staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._

Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men

van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de

richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen

~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze

regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief)

_en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd).

* * * * *

De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd

werd.

Pas op, de tafel staat --.

Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om

het beter te belichten.

Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht.

Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten.

Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den

bakker.

Wat loopt hij zijn hakken --.

Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken.

Hij heeft den hoed -- opgezet.

De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 90 / 279 题