_Iets in het bezit van een ander brengen._
~Geven~ is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van
afstaan. ~Mededeelen~ is: iets, wat men bezit, met een ander deelen.
~Schenken~ is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat
het voor den ontvangende vereerend is: _Ik ~schenk~ u dit boek op uw
verjaardag. Hij ~schonk~ mij zijn vertrouwen._ ~Vereeren~ is: schenken
in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of
vereering te toonen: _De koning ~vereerde~ den dichter met een bezoek._
~Verleenen~ zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: _De koning
~verleende~ den veroordeelde gratie._ ~Aanbieden~ is: iets willen geven,
zonder te weten of het aanvaard zal worden.