225. Geven--mededeelen--schenken--vereeren--aanbieden--verleenen.

_Iets in het bezit van een ander brengen._

~Geven~ is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van

afstaan. ~Mededeelen~ is: iets, wat men bezit, met een ander deelen.

~Schenken~ is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat

het voor den ontvangende vereerend is: _Ik ~schenk~ u dit boek op uw

verjaardag. Hij ~schonk~ mij zijn vertrouwen._ ~Vereeren~ is: schenken

in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of

vereering te toonen: _De koning ~vereerde~ den dichter met een bezoek._

~Verleenen~ zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: _De koning

~verleende~ den veroordeelde gratie._ ~Aanbieden~ is: iets willen geven,

zonder te weten of het aanvaard zal worden.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 244 / 279 题