101. Regeeren--besturen--heerschen.

_Gezag over een ander uitoefenen._

~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer"

zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan

handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~

onbeperkt._

~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het

gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In

figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur

wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw

~regeert~ haar man._

~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel

aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men

het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten.

_Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk

duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~

haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze

vrouw ~regeert~ haar man_).

Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of

_besturen_?

Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering.

* * * * *

Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.

De mazelen -- epidemisch.

Men moet -- over zijn hartstochten hebben.

De Burgemeester -- de gemeente.

Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld.

Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.

Deze vereeniging wordt goed --.

In Rusland -- een vastlandsklimaat.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 114 / 279 题