_Gezag over een ander uitoefenen._
~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer"
zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan
handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~
onbeperkt._
~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het
gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In
figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur
wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw
~regeert~ haar man._
~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel
aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men
het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten.
_Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk
duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~
haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze
vrouw ~regeert~ haar man_).
Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of
_besturen_?
Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering.
* * * * *
Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.
De mazelen -- epidemisch.
Men moet -- over zijn hartstochten hebben.
De Burgemeester -- de gemeente.
Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld.
Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.
Deze vereeniging wordt goed --.
In Rusland -- een vastlandsklimaat.