_Ongeschikt tot krachtsinspanning._
~Mat~ is men door een oorzaak _buiten_ ons, bijv. _~mat~ van de warmte_;
het komt dus eenigszins met ~loom~ overeen, d.w.z. traag van beweging.
(Schaak~mat~ is de koning, als hij zich niet meer bewegen kan; ~mat~ is
dus sterker dan loom.) Van kleuren gezegd beteekent _mat_ zooveel als
dof: _matblauw_.
~Moe~ duidt eenvoudig den toestand aan, waarin men zich na zwaren arbeid
bevindt, terwijl ~vermoeid~ ook let op de oorzaak der vermoeidheid en
tevens grootere moeheid aanwijst: _Hij is erg ~moe~ en mag wel wat
uitrusten. Hij is door het onbesuisde fietsen zeer ~vermoeid~._
~Afgemat~ is nog sterker dan vermoeid; meestal is deze graad van
vermoeidheid op het gelaat te zien of aan mindere helderheid van geest
te bemerken.
Opmerking. Het woord ~mat~ wordt gewoonlijk alleen in de alliteratie:
_mat en moe_ gebruikt.
* * * * *
Ik ben wat -- van de wandeling en blijf dus liever thuis.
Zij was van de lange reis zoo --, dat zij wel twee dagen te bed moest
blijven.
Bij zulk een hooge temperatuur gevoelt zich ieder --.
Wordt gij soms -- van dit werk?
Door het lange spreken was hij zoo --, dat hij verder van het woord
afzag.
»O van uit die groene zoden, Waar zij rusten -- en --, Ruischt er van
mijn lieve dooden 't Blijde wederzien mij toe."
Door de wekenlange inspanning zag hij er zeer -- uit.
Een flinke jongen, als jij bent, moet niet zoo gauw -- worden.
Er lag een -- tint over het landschap.
Naar lichaam en geest -- viel zij in een zware ziekte.
Er lag iets drukkends, iets -- over de feestelijke stemming. (Verklaar
dit fig. gebruik.)