ochtend, 180.
omslachtig, 187.
omstandig, 187.
_omweg_, 232.
omzichtig, 134.
onachtzaam, 137.
onbeleefd, 179.
onbeschoft, 179.
onbevreesd, 173.
onbezorgd, 4.
oneindig, 116.
ongemanierd, 179.
ongerust, 31.
onkundig, 149.
onnoozel, 149.
onoplettend, 137.
onpartijdig, 35.
onrustig, 31.
_onschuldig_, 206.
_onstuimig_, 235.
_ontberen_, 198.
_ontgaan_, 226.
ontdekken, 37.
ontkennen, 34.
_ontkomen_, 226.
_ontloopen_, 226.
ontmoeten, 147.
ontrouw, 10.
ontslapen, 107.
_ontsnappen_, 226.
ontstellen, 52.
ontvangen, 120, 161.
_ontvluchten_, 226.
_ontwaken_, 199.
ontwennen, 32.
_ontwijken_, 226.
ontzag, 63.
ontzetting, 52.
onveranderlijk, 170.
onversaagd, 173.
onverschrokken, 173.
_onwaarheid_, 202.
onwetend, 149.
onzijdig, 35.
oord, 73.
oorzaak, 29.
ootmoedig, 78.
_opbeuren_, 189.
openbaar, 9.
openlijk, 9.
oplettend, 102.
oploopend, 118.
opmerkzaam, 102.
opmerken, 27.
_oponthoud_, 190.
oprichten, 103.
opslaan, 103.
opvliegend, 118.
opzettelijk, 68.
op zich nemen, 120.
_oud_, 217.
overal, 110.
overbodig, 82.
overdrijven, 42.
overeenkomen, 39.
overeenkomst, 130.
overeenstemmen, 39.
overhalen, 62.
overhangen, 123.
overhellen, 123.
overlaten, 61.
overlijden, 107.
overreden, 62.
overrompelen, 81.
overschrijven, 146.
overtollig, 82.
overtuigen, 62.
overvallen, 81.
overwinning, 80.
_overzetten_, 236.