_Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt._
~Deel~ stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond:
_dat is maar een ~deel~ van de waarheid; het zesde ~deel~_. Bij
~gedeelte~ denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met
een ander: _Het eerste ~gedeelte~ van den weg is zonnig; het volgende
~gedeelte~ niet._ ~Stuk~ zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt,
't zij door toeval of met opzet: _een ~stuk~ van een vaas; een ~stuk~
vleesch_. ~Aandeel~ beteekent het deel, dat iemand toekomt, en
onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen.