218. Aandeel--deel--gedeelte--stuk.

_Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt._

~Deel~ stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond:

_dat is maar een ~deel~ van de waarheid; het zesde ~deel~_. Bij

~gedeelte~ denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met

een ander: _Het eerste ~gedeelte~ van den weg is zonnig; het volgende

~gedeelte~ niet._ ~Stuk~ zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt,

't zij door toeval of met opzet: _een ~stuk~ van een vaas; een ~stuk~

vleesch_. ~Aandeel~ beteekent het deel, dat iemand toekomt, en

onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 237 / 279 题