_Een einde aan 't bestaan van iets maken._
~Verwoesten~ zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had
woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het
ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. _Het geheele land werd te
vuur en te zwaard ~verwoest~.--Bij het bombardement werd de schoone
hoofdkerk geheel ~verwoest~._
~Vernielen~ heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat
de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel
verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. _Dat meisje heeft al weer haar
pop ~vernield~._ (Waarom niet _verwoest_? Waarom kan men niet zeggen: De
stad werd _vernield_?)
~Vernietigen~ wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk
gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog
_iets_ achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar
is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te
niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen.
_Het verdrag is weer ~vernietigd~._ In letterlijken zin komt het bijv.
voor in: _Ik heb uw brief ~vernietigd~_ (bijv. door verbranding); de
brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar
dat het ook soms verdelgen beteekent: _De spreeuwen ~vernietigen~ veel
schadelijke insecten._
* * * * *
De hagel heeft de boekweit --.
De hagel heeft de hoop op een goeden oogst --.
De Noormannen hebben vele steden in ons land --.
De nieuwe graaf -- vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.
Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk --.
De sijsjes -- veel kleine insecten.
Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken --.
Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken --.
De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden --.
De storm -- een groot deel der visschersschepen.
Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels
--.
De jenever heeft zijn gezondheid totaal --.