_Wat zich van binnen bevindt._
~Inwendig~ is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam
bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de
buitenzijde of de oppervlakte behoort: De _inwendige_ deelen van ons
lichaam.
~Innerlijk~ ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit
een voorwerp bestaat, in tegenstelling van _uiterlijk_, dat meer let
op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen
min of meer verborgen worden. De _innerlijke_ waarde van een stalen
horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen),
al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde)
ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking
tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in
tegenstelling met den lichamelijken vorm. _Uiterlijk is hij voorkomend
en vriendelijk, maar ~innerlijk~ is hij valsch en vol bedrog.--Hij werd
~innerlijk~ bewogen_ (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te
zien was).
~Innig~ geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste
voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een _innige_
liefde.
* * * * *
In het -- van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.
Hoewel hij -- spijt had, liet hij het aan niets merken.
Hij stortte zijn hart uit in een -- gebed.
De appel was -- verrot, hoe mooi hij er uitzag.
Zijn -- kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.
De -- samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.
De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn -- godsvrucht.