_Een beweging maken, die van de rechte lijn afwijkt._
Bij een cirkelvormige beweging--om een vast punt dus--spreekt men van
~draaien~: _het wiel ~draait~_.
Om aan te duiden, dat het voorwerp door de beweging een tegengestelden
stand krijgt, gebruikt men ~keeren~: _het schip ~keert~_ (waar dus de
voorsteven was, komt nu het roer).
Is de verandering van stand niet zoo groot, dan spreekt men van ~wenden~
(oorspronkelijk: zijwaarts doen gaan; vergelijk _wand_ = zijde): _het
schip ~wendt~ het roer_.
Een herhaald wenden wordt letterlijk door ~wentelen~ aangeduid
(frequentief); het komt dus veel met draaien overeen, maar heeft de
bijgedachte, dat het voorwerp niet alleen voortdurend van stand maar ook
van plaats verandert. _Het zwijn ~wentelt~ zich in het slijk_ (d.i.
letterlijk: wendt zich voortdurend in het slijk en komt tevens op een
andere plaats). _De aarde ~draait~ om haar as en ~wentelt~ om de zon._
(Waarom niet _~wentelt~_ om haar as, of _~draait~_ om de zon?)
* * * * *
Pas op, de straat is hier te nauw om er met je fiets te --.
De wielen met gummi-banden -- bijna onhoorbaar over den weg.
Je kunt je overjas nog best laten --. (Hoe verklaart gij, dat de
Duitscher hier _wenden_ gebruikt?)
Als gij olie in de as gedruppeld hebt, moet gij het wiel een paar
minuten snel laten --.
Toen hij zijn vijand op straat tegenkwam, -- hij het hoofd naar rechts.
Hij -- maar in een cirkeltje rond, je wordt er niets wijzer door.
Wij zullen het eens over een anderen boeg --.
Gij moet dit vat olie voorzichtig naar de schuur --.
De wandelaar stond even stil en -- toen op zijn schreden terug.
De orgelman -- de voorzijde van het orgel naar ons huis en begon er toen
lustig op los te --.
De vrouwen zagen den steen van Jezus' graf --.