69. Aangezicht--gezicht--gelaat.

_Het voorste deel van het hoofd._

~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler

is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het

~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel

op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste

eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.

~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de

alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van

dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan

~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_.

* * * * *

Wie zijn neus schendt, schendt zijn --.

Het -- is de spiegel der ziel.

Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving.

Het kind viel op zijn -- en liep een schram op.

Er lag een glans van voldoening op zijn --.

Wacht u voor iemand met twee --.

Ik ken hem alleen bij naam, niet van --.

Wat heb je toch een rood -- gekregen!

Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen.

Je hebt je -- niet goed gewasschen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 79 / 279 题