_Het voorste deel van het hoofd._
~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler
is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het
~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel
op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste
eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.
~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de
alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van
dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan
~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_.
* * * * *
Wie zijn neus schendt, schendt zijn --.
Het -- is de spiegel der ziel.
Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving.
Het kind viel op zijn -- en liep een schram op.
Er lag een glans van voldoening op zijn --.
Wacht u voor iemand met twee --.
Ik ken hem alleen bij naam, niet van --.
Wat heb je toch een rood -- gekregen!
Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen.
Je hebt je -- niet goed gewasschen.