_Beide woorden beteekenen, iets in eigendom hebben._
~Hebben~ zegt dit in 't algemeen, zonder meer, terwijl ~bezitten~ gezegd
wordt van redelijke wezens, om te kennen te geven, dat zij over hun
bezitting vrijelijk kunnen beschikken en anderen daarvan uitsluiten.
_Een boom ~heeft~ bladeren.--Deze dame ~bezit~ veel huizen._