_De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere
begeeft._
~Weg~ zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop
men iets bereikt of tracht te bereiken. ~Straat~ is een geplaveide weg
met eenige breedte; ~pad~ is een smalle weg, vooral voor voetgangers.
~Baan~ is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door
oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg:
_kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een ~weg~ door de sneeuw ~banen~_.
Ook is ~baan~ de vaste weg van hemellichamen.