222. Baan--weg--straat--pad.

_De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere

begeeft._

~Weg~ zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop

men iets bereikt of tracht te bereiken. ~Straat~ is een geplaveide weg

met eenige breedte; ~pad~ is een smalle weg, vooral voor voetgangers.

~Baan~ is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door

oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg:

_kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een ~weg~ door de sneeuw ~banen~_.

Ook is ~baan~ de vaste weg van hemellichamen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 241 / 279 题