_Het laatste gedeelte van een zaak of handeling._
~Einde~ zegt dit in het algemeen, ~slot~ onderstelt het einde van een
geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een ~einde~, maar geen
~slot~; daarentegen heeft een brief wel een ~slot~, doordat de brief
een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het ~einde~ van de
bladzijde, niet het ~slot~. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt
worden; het ~einde~ vindt men na den laatsten regel, het ~slot~ ziet op
de laatste zinnen: _Dat boek bevat een pakkend ~slot~. Ik las dit boek
van het begin tot het ~einde~, maar vond niet het bewuste woord._
(Waarom zegt men wel _slot-zin_ en niet _einde-zin_?)
* * * * *
Aan het -- van dezen zandweg woont een jager.
Het -- van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.
Aan het -- der volgende week hoop ik u te bezoeken.
Tot -- gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.
De vergadering werd aan het -- rumoerig.
Het -- zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.
Aan het -- zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.
Vergeet niet het -- van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.
De brief was zoo lang, dat er geen -- aan scheen te komen.