_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._
~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden
is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit
vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt
dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den
voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt
mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen
smaak.
~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf
verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel
onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel
volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige
beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men
wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze
zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.
* * * * *
De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk
was het te zien, dat hij hem dien overvloed --.
Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet.
Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken
dag.
Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden,
die het hem --.