67. Misgunnen--benijden.

_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._

~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden

is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit

vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt

dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den

voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt

mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen

smaak.

~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf

verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel

onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel

volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige

beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men

wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze

zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.

* * * * *

De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk

was het te zien, dat hij hem dien overvloed --.

Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet.

Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken

dag.

Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden,

die het hem --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 77 / 279 题