_Iets nieuws bedenken._
~Uitdenken~ wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds
aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft
toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel
overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het
bloote toeval den uitvinder kan helpen. _De beweegkracht voor die
machine is vernuftig ~uitgedacht~_ (d.w.z., uit de voorhanden gegevens,
n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken
gevonden).
~Verzinnen~ onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar
het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. _Het kost
mij veel moeite, allerlei voorbeelden te ~verzinnen~._ Soms duidt
~verzinnen~ aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid
uitgeeft, geheel onwaar is. _Dit bericht is van het begin tot het einde
geheel ~verzonnen~._
~Verdichten~ wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter
vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte
niet als waarheid uitgeven, zooals bij _verzinnen_ het geval is. _De
hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel ~verdicht~._
* * * * *
Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben --.
De spreuk boven de deur is heel aardig --.
Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar
geheel -- is.
Wat -- hij al niet, om mij zoo te belasteren!
Hij heeft een nieuw middel --, om een trein in volle vaart in een
oogenblik te doen stilstaan.
In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel --.
Ik moet iets --, om mijn wegblijven te verontschuldigen.