174. Spijt--leedwezen--berouw--wroeging.

_Het onaangename gevoel, dat zich van ons meester maakt, wanneer wij tot

het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben._

~Spijt~ drukt dit het zwakst uit; het geldt dan ook hoofdzakelijk van

minder belangrijke daden. _Ik heb er ~spijt~ van, dat ik dit boek

gekocht heb._

~Leedwezen~ is sterker; het onderstelt een daad, waardoor wij ons zelven

of anderen verdriet of nadeel berokkend hebben. _Hij gaf mij zijn

~leedwezen~ er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen._

~Berouw~ is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een

misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een aanhoudend leedwezen

gevoelen. Bovendien drukt het uit, dat wij dien misslag of die misdaad

gaarne ongedaan zouden maken, en laat meestal doorstralen, dat wij een

mogelijke herhaling wenschen te voorkomen. _Over de grievende

beleediging, die hij zijn besten vriend had aangedaan, voelde hij diep

~berouw~._

~Wroeging~ is de hoogste trap van berouw over een gepleegd kwaad. Het is

de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn geweten hem niet met

rust laat. _Uit ~wroeging~ over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop._

* * * * *

Nu het vandaag zulk prachtig weer is geworden, heb ik er -- van, dat ik

van morgen niet op reis ben gegaan.

Tichelaar werd op zijn ouden dag overal vervolgd door de -- van zijn

knagend geweten.

Ik heb er nog steeds -- over, dat ik in mijn jeugd niet beter geleerd

heb.

Tot zijn -- bemerkte hij, dat hij zijn bediende onschuldig had

aangeklaagd.

Uit -- over zijn misdaad stierf hij reeds na korten tijd.

De moordenaar toonde niet het minste -- over zijn afschuwelijke daad.

Tot mijn -- moet ik u berichten, dat ik aan uw verzoek niet kan

voldoen.

175.

Eigenzinnig--stijfhoofdig--hoofdig--koppig--halsstarrig--hardnekkig.

_Niet geneigd naar anderen te luisteren._

~Stijfhoofdig~ is hij, die zijn eigen hoofd wil volgen, zelfs al moet

hij erkennen, dat anderen het beter weten. ~Hoofdig~ en ~koppig~ drukken

hetzelfde iets minder sterk uit; ~koppig~ wordt ook van dieren gezegd

en heeft bovendien het nevenbegrip van onhandelbaar. _De jongen is

~stijfhoofdig~ genoeg, om toch de aangegeven fouten niet te willen

verbeteren. Wat ben je van daag weer ~hoofdig~. Een ~koppige~ ezel._

~Eigenzinnig~ komt ook wel met stijfhoofdig overeen, maar drukt nog het

bijdenkbeeld uit, dat men uit gehechtheid aan het oude of aan eigen

inzicht voor geen reden vatbaar is: men doet zijn _eigen zin_. _Hoewel

iedereen hem aanraadde, zijn melk aan de boterfabriek te leveren, was de

boer ~eigenzinnig~ genoeg, zelf te blijven karnen._

~Halsstarrig~ (d. i. een stijven hals hebbende) en ~hardnekkig~ (d. i.

een harden, stijven nek hebbende) gebruikt men om aan te duiden, dat

iemand een onbuigzamen wil heeft en zich daarom blijft verzetten.

~Hardnekkig~ kan ook in goeden zin voorkomen, wat bij ~halsstarrig~

nimmer het geval is. _Na een ~hardnekkigen~ tegenstand moesten de Boeren

zich eindelijk onderwerpen. Hij weigert ~halsstarrig~ zich met zijn

buurman te verzoenen._

* * * * *

Bokken zijn meestal -- dieren.

Die jongen is vreeselijk --; hij weet, dat hij nablijven moet, als hij

zijn werk niet netter maakt en toch zit hij weer te knoeien.

De Atjehers boden een -- tegenstand, zoodat de onzen een moeilijke taak

hadden.

Kent gij het gedicht »De -- boer" van Staring?

Hij houdt maar -- vol, dat hij niet gestolen heeft, en toch is de schijn

sterk tegen hem.

Sommige landbouwers zijn zoo --, dat zij met de nieuwste uitkomsten der

landbouwkunde blijven spotten.

Hoewel ik hem meermalen mijn hulp heb aangeboden, blijft hij die --

weigeren.

Na een -- gevecht moest de vijand eindelijk het veld ruimen.

Niettegenstaande ik hem meermalen heb aangetoond, dat hij de studie op

een andere wijze moet aanvatten, is hij toch -- genoeg om op den ouden

weg voort te gaan.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 192 / 279 题