201. Kosten--gelden.

_Een zekere waarde hebben._

~Gelden~ ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), ~kosten~ let meer op

hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of

wel voor iets in zijn geheel. _De tarwe ~geldt~ f 7. Mij ~kost~ deze

koffie maar f 1; zij ~geldt~ anders f 1.20 (per K.G.).--Deze voorraad

koffie ~kost~ f 25. Dit huis ~kost~ f 15000._

Figuurlijk is ~gelden~: waarde hebben, waard zijn; ~kosten~: betalen

met; bijv.: _Een ~geldige~ stem.--Dat zal moeite ~kosten~._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 220 / 279 题