_Een zekere waarde hebben._
~Gelden~ ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), ~kosten~ let meer op
hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of
wel voor iets in zijn geheel. _De tarwe ~geldt~ f 7. Mij ~kost~ deze
koffie maar f 1; zij ~geldt~ anders f 1.20 (per K.G.).--Deze voorraad
koffie ~kost~ f 25. Dit huis ~kost~ f 15000._
Figuurlijk is ~gelden~: waarde hebben, waard zijn; ~kosten~: betalen
met; bijv.: _Een ~geldige~ stem.--Dat zal moeite ~kosten~._