60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd.

_Begeerig om iets te weten._

~Weetgierig~ is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het

heeft dus een gunstige beteekenis. _Deze knaap toont zich zeer

~weetgierig~, zoodat hij vol ijver studeert._

~Nieuwsgierig~ is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken,

waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook

een meer ongunstige beteekenis. _Deze vrouw is zeer ~nieuwsgierig~:

onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren._

~Benieuwd~ ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog

in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in

dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is

al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. _Ik ben ~benieuwd~,

of hij zal slagen (of hij geslaagd is)._

* * * * *

Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen

--, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was,

waren velen -- genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan

zien. Enkelen waren zelfs -- genoeg om zijn geschiedenis uit de oude

geschriften op te diepen.

Deze dienstbode is uiterst --, voortdurend staat zij aan de deur te

luisteren.

Een -- jongen kan soms moeilijke vragen doen.

Een -- jongen staat met zijn neus overal vooraan.

Wij zijn --, of hij benoemd zal worden.

Gij moet uw brieven beter voor de -- blikken van anderen verbergen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 70 / 279 题