122. Gemeen--laag--ruw--plat.

_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._

~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer

gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft

het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte

eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l.

schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei

schandelijke daden in staat._

~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel

met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen

van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim

te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.

~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk

op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het

is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~

uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die

uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons

fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen

is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons

gevoel.

~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk

toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant

een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en

toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van

Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig

heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos,

die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven

toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!"

De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of

gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest

zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige

immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten

aandoen.

* * * * *

Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --.

Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit.

Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven

niet zelden blijk van echten volkshumor.

Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart

weet te stelen.

Doodgaan van een mensch gezegd is --.

Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 139 / 279 题