_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._
~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer
gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft
het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte
eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l.
schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei
schandelijke daden in staat._
~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel
met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen
van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim
te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.
~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk
op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het
is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~
uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die
uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons
fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen
is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons
gevoel.
~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk
toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant
een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en
toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van
Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig
heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos,
die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven
toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!"
De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of
gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest
zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige
immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten
aandoen.
* * * * *
Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --.
Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit.
Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven
niet zelden blijk van echten volkshumor.
Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart
weet te stelen.
Doodgaan van een mensch gezegd is --.
Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.