15. Jong--jeugdig.

_Wat niet oud is._

~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_

vereeniging.

~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het

vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog

met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het

dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge,

pas opgerichte vereeniging.

* * * * *

In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen.

In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.

Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit.

Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 23 / 279 题