_Wat niet oud is._
~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_
vereeniging.
~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het
vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog
met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het
dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge,
pas opgerichte vereeniging.
* * * * *
In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen.
In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.
Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit.
Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --.