70. Bepalen--vaststellen.

_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._

~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat,

wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft

tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G.

~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien

nader en _vaster_ aangeven).

~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan

voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het

_onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven.

_Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was

eerst nog _onbekend_!)

~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid

weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het

onbekende.

* * * * *

Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien

nauwkeurig --.

Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --.

Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --.

Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader --

worden.

De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het

weeshuis zou komen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 80 / 279 题