_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._
~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat,
wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft
tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G.
~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien
nader en _vaster_ aangeven).
~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan
voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het
_onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven.
_Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was
eerst nog _onbekend_!)
~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid
weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het
onbekende.
* * * * *
Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien
nauwkeurig --.
Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --.
Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --.
Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader --
worden.
De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het
weeshuis zou komen.