147. Aantreffen--ontmoeten--tegenkomen--vinden.

_De aanwezigheid van iets of iemand opmerken._

~Vinden~ zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht.

_Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk ~gevonden~._ Soms is ook de

bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. ~Aantreffen~ geeft meer een

toevallig samentreffen aan: _Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik

~trof~ hem op het station ~aan~._ Duidelijk komt het verschil uit in

een zin als deze: _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik ~trof~ hem

bij zijn oom ~aan~._ (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) _Ik heb

hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom ~gevonden~._

(Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging

zoeken.)--~Ontmoeten~ duidt aan, dat beide personen van verschillende

zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn:

_Ik ~ontmoette~ hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben

afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ~ontmoeten~._ Bij

~ontmoeten~ bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich

bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden

in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men

~tegenkomen~. _Op zijn wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij mijn neef

~tegen~._ (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen

beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander

gebleven zijn.) ~Aantreffen~ verschilt hierin van tegenkomen of

ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een

toestand van rust verkeert. _Op den weg naar A. ~trof~ ik hem in het

hotel ~aan~._ In fig. zin worden ~vinden~, ~ontmoeten~ en ~aantreffen~

ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier

aanwezigheid men moet of kan opmerken: _In Zwitserland ~vindt~ men hooge

bergen, ~treft~ men hooge bergen ~aan~. In dit boek ~ontmoet~ men vele

onjuistheden._

* * * * *

Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel --.

Ik -- niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen.

In Friesland worden uitmuntende weilanden --.

Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats

--, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben.

Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens --.

Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het -- kan.

Schrijf mij eens, waar ik u in de stad -- kan.

Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto --.

Men -- in de wereld meer leeds dan liefs.

Na lang zwerven -- de karavaan eindelijk een oase.

Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te --,

maar hij heeft mij teleurgesteld.

Op onze wandeling naar Soestdijk -- wij de Koningin.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 164 / 279 题