_De aanwezigheid van iets of iemand opmerken._
~Vinden~ zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht.
_Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk ~gevonden~._ Soms is ook de
bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. ~Aantreffen~ geeft meer een
toevallig samentreffen aan: _Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik
~trof~ hem op het station ~aan~._ Duidelijk komt het verschil uit in
een zin als deze: _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik ~trof~ hem
bij zijn oom ~aan~._ (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) _Ik heb
hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom ~gevonden~._
(Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging
zoeken.)--~Ontmoeten~ duidt aan, dat beide personen van verschillende
zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn:
_Ik ~ontmoette~ hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben
afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ~ontmoeten~._ Bij
~ontmoeten~ bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich
bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden
in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men
~tegenkomen~. _Op zijn wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij mijn neef
~tegen~._ (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen
beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander
gebleven zijn.) ~Aantreffen~ verschilt hierin van tegenkomen of
ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een
toestand van rust verkeert. _Op den weg naar A. ~trof~ ik hem in het
hotel ~aan~._ In fig. zin worden ~vinden~, ~ontmoeten~ en ~aantreffen~
ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier
aanwezigheid men moet of kan opmerken: _In Zwitserland ~vindt~ men hooge
bergen, ~treft~ men hooge bergen ~aan~. In dit boek ~ontmoet~ men vele
onjuistheden._
* * * * *
Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel --.
Ik -- niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen.
In Friesland worden uitmuntende weilanden --.
Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats
--, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben.
Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens --.
Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het -- kan.
Schrijf mij eens, waar ik u in de stad -- kan.
Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto --.
Men -- in de wereld meer leeds dan liefs.
Na lang zwerven -- de karavaan eindelijk een oase.
Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te --,
maar hij heeft mij teleurgesteld.
Op onze wandeling naar Soestdijk -- wij de Koningin.