33. Gehecht--verkleefd--verknocht.

_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._

~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van

genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt

alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de

zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel

zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~;

de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan

zijn hond ~gehecht~_.

~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van

onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk

gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._

~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de

bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat

hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan

het Huis van Oranje ~verknocht~._

* * * * *

Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen.

De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --.

Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de

wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.

De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --.

Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan

Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 41 / 279 题