_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._
~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van
genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt
alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de
zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel
zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~;
de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan
zijn hond ~gehecht~_.
~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van
onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk
gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._
~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de
bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat
hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan
het Huis van Oranje ~verknocht~._
* * * * *
Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen.
De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --.
Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de
wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.
De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --.
Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan
Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --.