34. Loochenen--ontkennen.

_Staande houden, dat iets niet zoo is._

~Ontkennen~ drukt dit zonder meer uit. _Deze schrijver ~ontkent~, dat

Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.--De beschuldigde

~ontkent~, dat hij gestolen heeft._

~Loochenen~ heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets

ontkent, dus dat men met opzet liegt. _Hij ~loochent~ wel dit stuk

geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem._

* * * * *

Hoewel hij uitdrukkelijk --, dat hij de schrijver van dit artikel is,

wordt hij er toch algemeen voor gehouden.

De dief -- eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar

men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.

Hardnekkig -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou

moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.

Ten stelligste -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis

zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 42 / 279 题