_Neiging tot iets hebbende._
~Geneigd~ geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is,
dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van
redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen.
(_Neigen_ = overhellen.) _De mensch is ~geneigd~ tot zonde_: zijn aard
brengt dat mede. _Ik ben ~geneigd~ dit toe te stemmen_: ik hel er toe
over (daar ik er over nagedacht heb).
~Genegen~ ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan:
_Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens
~genegen~ eenig huiswerk te verrichten_: die daar lust in heeft, er
_niet afkeerig_ van is. Bovendien kan ~genegen~ beteekenen: goedgunstig
gezind, liefhebbend: _De directeur is mij zeer ~genegen~._
* * * * *
Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd -- tot schertsen.
Denkt gij, dat hij -- is, mij te woord te staan?
Ik ben altijd --, het goede van iemand te denken.
Ik zou bijna -- zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen.
(Inzicht, oordeel.)
Niemand der aanwezigen scheen --, in het tekort der kas te willen
bijdragen.
Het geluk is mij in deze onderneming niet --.
Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid -- was, zou hij zeker de
betrekking gekregen hebben.
Zoudt gij -- zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen
aanvaarden?
Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur --.