_Ophouden te leven._
~Sterven~ drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking
op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral
gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. _Deze man is van
hartzeer ~gestorven~._
~Doodgaan~ wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in
ruwe of platte taal ook van menschen.
~Overlijden~ heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent
n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (_Lijden_
van oudtijds _gaan_; vergelijk _verleden_ of _vergangen_ week.) Het
stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der
achterblijvenden.
Ook ~ontslapen~ zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en
langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus
eveneens het begrip van sterven.
* * * * *
Na het -- van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren
broeder te zorgen.
Het grootste deel van het leger -- van honger en gebrek.
Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en
Heiland zacht en kalm --.
Die plant zal wel --; je hebt haar niet goed behandeld.
Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd --.
Zalig zijn de dooden, die in den Heer --.