113. Bekennen--belijden.

_Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen._

~Bekennen~ duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen

gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt

wordt. _De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn

misdaad wel ~bekennen~._

~Belijden~ ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met

een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis:

_Ootmoedig ~beleed~ hij zijn schuld._ Het wordt ook ten opzichte van

godsdienstige gevoelens gebruikt: _Zijn zonden ~belijden~._

* * * * *

Hij wil zijn ongelijk nog niet --, maar wij zullen er hem wel toe

brengen.

Met een verslagen hart -- hij voor God zijn schuld.

Ik moet eerlijk --, dat ik hierin misgetast heb.

Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, -- hij zijn schuld.

_Gebruik ook in zinnen:_ Bekentenis en belijdenis.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 128 / 279 题