_Van een onbekende zaak kennis krijgen._
Men ~ontdekt~, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: _Columbus
~ontdekte~ Amerika_ (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land
voor Europa verborg, wegnemen).
~Uitvinden~ heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk
vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. _De
~uitvinding~ van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht
dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven._
(De uitdrukking: »Ik zal den dader wel _uitvinden_", die men
tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af
te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet
door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn
gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)
* * * * *
Tot zijn schrik -- de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.
Door de -- van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur --.
Het geheim wist ik spoedig te --.
Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft --?
Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger --.
Door de -- van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.
Wie heeft de slingerwetten --?