_Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken._
~Plagen~ onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl
~kwellen~ aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet.
_Je mag den hond niet zoo ~plagen~, maar nog minder mag je hem
~kwellen~._--~Plagen~ wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood,
pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods
worden aangemerkt. _Het land werd met hongersnood ~geplaagd~._ (Denk ook
aan de plagen van Egypte!)
* * * * *
De reiziger werd door een hevigen dorst --.
Gij moet de meid niet zoo --, door haar telkens om een wissewasje binnen
te laten komen.
Wie de dieren --, heeft ook voor de menschen geen goed hart.
Gij moet dat kleine kind niet zoo --.
Karel V werd vaak door jicht --.
Mijn broer -- mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.
Zijn knagend geweten -- hem dag en nacht.