152. Klimmen--klauteren--stijgen--rijzen.

_Zich in de hoogte begeven._

~Stijgen~ kan met een enkelen stap geschieden: _hij ~stijgt~ te paard_,

terwijl ~klimmen~ altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer

moeite gepaard gaat: _hij ~klimt~ den berg op_. Heeft men bij het

klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van ~klauteren~; dit gaat

dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: _hij ~klauterde~ tegen de

rots op_. ~Rijzen~ sluit alle begrip van inspanning uit: _het water

~rijst~_, _de zon ~rijst~_, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder

onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar

nooit klauteren, bijv.: »_de lofzang ~klimt~ uit Sions zalen_".

* * * * *

Laten wij op dezen heuvel --, dan hebben wij een ruim uitzicht.

De prijs van het koren is --.

Bij het -- zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is

~klimmen~ beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.)

De barometer is sedert gisteren een weinig --.

De matrozen -- als katten in het want.

Uit duizend kelen -- een donderend hoera! op.

Het water -- aan zijn lippen.

Van uur tot uur -- onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze

rijzen!)

Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat --.

De dieven -- tegen den tuinmuur op en -- daarna het achterraam binnen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 169 / 279 题