_Zich in de hoogte begeven._
~Stijgen~ kan met een enkelen stap geschieden: _hij ~stijgt~ te paard_,
terwijl ~klimmen~ altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer
moeite gepaard gaat: _hij ~klimt~ den berg op_. Heeft men bij het
klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van ~klauteren~; dit gaat
dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: _hij ~klauterde~ tegen de
rots op_. ~Rijzen~ sluit alle begrip van inspanning uit: _het water
~rijst~_, _de zon ~rijst~_, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder
onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar
nooit klauteren, bijv.: »_de lofzang ~klimt~ uit Sions zalen_".
* * * * *
Laten wij op dezen heuvel --, dan hebben wij een ruim uitzicht.
De prijs van het koren is --.
Bij het -- zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is
~klimmen~ beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.)
De barometer is sedert gisteren een weinig --.
De matrozen -- als katten in het want.
Uit duizend kelen -- een donderend hoera! op.
Het water -- aan zijn lippen.
Van uur tot uur -- onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze
rijzen!)
Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat --.
De dieven -- tegen den tuinmuur op en -- daarna het achterraam binnen.