58. Haast--spoed--ijl.

_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._

~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort

te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt

meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te

maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en

bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven:

verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._

~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door

tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~,

waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd

klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der

handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig

overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of

anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog

op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die

eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te

laat._

~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men

den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om

dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er

geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden.

_Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._

* * * * *

Hoe meerder --, hoe minder --.

Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen.

Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.

Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen.

_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 68 / 279 题