_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._
~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort
te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt
meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te
maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en
bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven:
verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._
~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door
tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~,
waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd
klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der
handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig
overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of
anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog
op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die
eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te
laat._
~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men
den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om
dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er
geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden.
_Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._
* * * * *
Hoe meerder --, hoe minder --.
Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen.
Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.
Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen.
_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings.