_Door het gehoor iets waarnemen._
~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin
kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven
ons._
~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of
iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de
deur, wat er binnen gesproken werd._
* * * * *
Wat -- ik, ga je vertrekken?
-- eens, wat die man te vertellen heeft.
De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en
--, wat het zijn mocht.
De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --.
In die vergadering -- men soms rare dingen.
De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker.
Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar --
om het u over te vertellen.