55. Hooren--luisteren.

_Door het gehoor iets waarnemen._

~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin

kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven

ons._

~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of

iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de

deur, wat er binnen gesproken werd._

* * * * *

Wat -- ik, ga je vertrekken?

-- eens, wat die man te vertellen heeft.

De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en

--, wat het zijn mocht.

De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --.

In die vergadering -- men soms rare dingen.

De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker.

Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar --

om het u over te vertellen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 65 / 279 题