_Alles wat niet voordeelig voor ons is._
~Verlies~ duidt een vermindering van bezit aan. _Het ~verlies~ aan
dooden bedroeg aan onze zijde 500 man._
~Schade~ let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. _De
~schade~ bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed
groote ~schade~ aan de dijken._ (Hun waarde als zeewering verminderde.)
~Nadeel~ is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd
is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien.
_Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste ~nadeel~ gehad_
(de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv.
minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen
bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van
welstand). _Misbruik van sterken drank doet ~nadeel~ aan onze
gezondheid_ (of: _~benadeelt~ onze gezondheid_). Men zegt: _Door
~schade~ wordt men wijs_, en niet: _door ~nadeel~ wordt men wijs_,
immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd
ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden;
in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen,
dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: _~schade~ is altijd
geen ~nadeel~_.
~Afbreuk~ is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons
recht. _De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie
~afbreuk~ gedaan._ Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die
oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: _De Watergeuzen deden den
Spanjaarden veel ~afbreuk~._
De overstrooming richt groote ~schade~ aan; menigeen lijdt er zware
~verliezen~ door; ook kan zij ~nadeel~ doen aan de vruchtbaarheid van
den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt;
~afbreuk~ evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)
Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde
nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en
nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers
lijden ~verlies~ aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor
vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun ~schade~;
en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun
klanten weglokt, waarop _zij_ recht meenden te hebben, doet hij zijn
collega's ook ~afbreuk~. In ieder geval is die vestiging van een
concurrent een ~nadeel~ voor de reeds daar wonende winkeliers: die
vestiging strijdt n.l. met hun belangen.
* * * * *
De storm deed veel -- aan de duinen.
Bij dien handel leed hij een groot -- aan kapitaal.
Aan die betrekking is het -- verbonden, dat men ook Zondags bezet is.
De --, die de koopman door het -- van zijn schip leed, wordt door
verzekering gedekt.
Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot --
moeten verkoopen; doch dit --, aan de benoeming verbonden, wordt
ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.
Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel --.
De engerlingen doen groote -- aan de planten.
Men berekent het --, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden;
want door de lage assurantie wordt de -- slechts gedeeltelijk gedekt.
De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel --.