_In de nabijheid komen._
~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende
voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de
reede._
~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins
mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het
brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._
* * * * *
Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen
liggen nog vóór de kust.)
Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde
op de kust landen).
Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn.
Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is.
De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds
voorbehoedmiddelen te nemen.
God geve, dat u geen leed zal --.