30. Naderen--genaken.

_In de nabijheid komen._

~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende

voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de

reede._

~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins

mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het

brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._

* * * * *

Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen

liggen nog vóór de kust.)

Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde

op de kust landen).

Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn.

Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is.

De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds

voorbehoedmiddelen te nemen.

God geve, dat u geen leed zal --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 38 / 279 题