141. Barst--scheur--spleet--kloof.

_De verbreking van den onderlingen samenhang._

~Barst~ duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes

bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde

scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. _Een

~barst~ in een glas._

Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen

getrokken, dan ontstaat een opening, een ~scheur~: _een ~scheur~ in een

jas; een ~scheur~ in het ijs_.

Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending

dan scheuren, dan spreekt men van ~spleet~; een spleet is dus grooter,

wijder dan een scheur. _Een diepe ~spleet~ in de rots._

~Kloof~ geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: _een breede

rots~kloof~_.

~Scheur~ zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een ~scheur~

in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; ~kloof~ en ~spleet~

alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl ~barst~ gebruikt

wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van

papier, linnen, enz.

* * * * *

Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een -- is.

Het ijs toonde wel eenige --, maar het was toch wel te berijden.

De -- in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.

De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke --.

De berg zat vol overlangsche --.

De vluchteling verschool zich in een diepe --.

De muur van dit huis vertoont bedenkelijke --.

Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een -- heeft.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 158 / 279 题