_De verbreking van den onderlingen samenhang._
~Barst~ duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes
bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde
scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. _Een
~barst~ in een glas._
Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen
getrokken, dan ontstaat een opening, een ~scheur~: _een ~scheur~ in een
jas; een ~scheur~ in het ijs_.
Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending
dan scheuren, dan spreekt men van ~spleet~; een spleet is dus grooter,
wijder dan een scheur. _Een diepe ~spleet~ in de rots._
~Kloof~ geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: _een breede
rots~kloof~_.
~Scheur~ zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een ~scheur~
in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; ~kloof~ en ~spleet~
alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl ~barst~ gebruikt
wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van
papier, linnen, enz.
* * * * *
Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een -- is.
Het ijs toonde wel eenige --, maar het was toch wel te berijden.
De -- in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.
De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke --.
De berg zat vol overlangsche --.
De vluchteling verschool zich in een diepe --.
De muur van dit huis vertoont bedenkelijke --.
Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een -- heeft.