99. Gooien--werpen--smijten.

_Iets met kracht van zich slingeren._

~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl

~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~

heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg

en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~

daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en

~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats

hebben met werktuigen.

~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden

dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder

onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus

eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een

beleediging voor de voeten ~gesmeten~._

Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het

in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten

worden.

* * * * *

Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --.

Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--.

De golven -- een lijk aan het strand.

Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --.

Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--.

Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog

bezetting --.

De ouden -- met blijden groote steenen in de stad.

Van kwaadheid -- hij mij de trappen af.

Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --.

Hij heeft den boel in het honderd --.

Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --?

Men moet geen goed geld naar kwaad geld --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 112 / 279 题