_Iets met kracht van zich slingeren._
~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl
~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~
heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg
en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~
daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en
~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats
hebben met werktuigen.
~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden
dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder
onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus
eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een
beleediging voor de voeten ~gesmeten~._
Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het
in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten
worden.
* * * * *
Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --.
Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--.
De golven -- een lijk aan het strand.
Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --.
Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--.
Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog
bezetting --.
De ouden -- met blijden groote steenen in de stad.
Van kwaadheid -- hij mij de trappen af.
Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --.
Hij heeft den boel in het honderd --.
Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --?
Men moet geen goed geld naar kwaad geld --.