135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig.

_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._

~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het

toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~

blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in

beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het

begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden.

_Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~

weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint

_altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de

spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.

Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring

zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal

gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is

het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke

_s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat

~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken

voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid,

duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin

gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~

ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_,

daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.

~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan

altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~

getrouw blijven._

~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken

voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en

is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._

Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige

beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk

daaraan bij de volgende zinnen.

* * * * *

Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer.

Ik zal mijn woord -- gestand doen.

Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen.

In dien storm heb ik -- aan u gedacht.

Men moet -- zijn plicht doen.

Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken.

Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken.

Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord.

Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.

Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.

De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 152 / 279 题