_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._
~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het
toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~
blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in
beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het
begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden.
_Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~
weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint
_altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de
spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.
Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring
zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal
gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is
het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke
_s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat
~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken
voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid,
duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin
gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~
ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_,
daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.
~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan
altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~
getrouw blijven._
~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken
voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en
is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._
Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige
beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk
daaraan bij de volgende zinnen.
* * * * *
Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer.
Ik zal mijn woord -- gestand doen.
Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen.
In dien storm heb ik -- aan u gedacht.
Men moet -- zijn plicht doen.
Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken.
Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken.
Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord.
Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.
Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.
De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd.