_Bezitter van iets worden._
~Bekomen~, ~behalen~ en ~verwerven~ wijzen aan, dat men moeite doet,
om in het bezit te geraken. ~Behalen~ geeft dit in sterker mate aan dan
~bekomen~, terwijl ~verwerven~ nog grooter moeite (soms ook grooter eer)
onderstelt dan behalen. _Waar zijn deze waren te ~bekomen~? Hij heeft
daarmee veel roem ~behaald~. Hij heeft eindelijk een voordeelige positie
~verworven~._ In de uitdrukking _straf bekomen_, onderstelt men dus, dat
de schuldige alles deed, waardoor hij die straf heeft gekregen, al was
natuurlijk die straf niet het _doel_ van zijn handelen.
~Krijgen~ en ~ontvangen~ geven te kennen, dat men ook zonder zijn
toedoen of inspanning in het bezit van iets komt. _De boomen ~krijgen~
bladeren; hij ~ontving~ een berisping._ ~Ontvangen~ onderstelt, dat
hetgeen men ontvangt, door iemand gegeven is en door ons (actief) wordt
aangenomen: _Ik heb het geld ~ontvangen~._ Bij ~krijgen~ daarentegen
behoeft men niet altijd aan geven te denken, men kan hierbij ook meer
passief zijn. _Hij heeft de koorts ~gekregen~._
Uit de vergelijking der vier woorden volgt, dat ~krijgen~ het aangeduide
begrip (bezitter van iets worden) op de meest algemeene wijze (d.i.
zonder eenige nadere bepaling) aanduidt; het komt dan ook het meest in
de dagelijksche spreektaal voor.
* * * * *
De knecht heeft zijn loon --.
Frederik Hendrik heeft met de inneming van Den Bosch veel roem --.
Hij mocht de gunst des konings --.
Wat heeft hij voor zijn moeite --?
Uw brief heb ik in goede orde --.
In plaats van een goede belooning heeft hij straf --.
Dit werk is in alle boekwinkels te --.
Door vlijt en inspanning heeft hij zich een aanzienlijk vermogen --.
Wanneer zal ik het boek --, dat je me al zoo lang beloofd hebt?