233. Aantal--getal--tal--menigte--hoeveelheid.

_Begrippen van veelheid._

Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men

nog niet geteld heeft, dan zegt men: ~hoeveelheid~. Is de hoeveelheid

geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van

~getal~.--De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde

hoeveelheden te kennen. ~Aantal~ kan zoowel veel als weinig aanduiden

en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: _een groot ~aantal~

werkloozen trokken_ (liefst meerv.!) _door de straten_. ~Menigte~

daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een

samenhangende massa voor: _Een dichte ~menigte~ wachtte op de komst des

konings._--Het woord ~tal~ beteekent een groot aantal: _De jenever maakt

~tal~ van slachtoffers._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 252 / 279 题