_Begrippen van veelheid._
Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men
nog niet geteld heeft, dan zegt men: ~hoeveelheid~. Is de hoeveelheid
geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van
~getal~.--De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde
hoeveelheden te kennen. ~Aantal~ kan zoowel veel als weinig aanduiden
en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: _een groot ~aantal~
werkloozen trokken_ (liefst meerv.!) _door de straten_. ~Menigte~
daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een
samenhangende massa voor: _Een dichte ~menigte~ wachtte op de komst des
konings._--Het woord ~tal~ beteekent een groot aantal: _De jenever maakt
~tal~ van slachtoffers._