_De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten._
~Kundig~ onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van
een zeker vak opgedaan. _Hij is een ~kundig~ rechtsgeleerde._
~Bekwaam~ wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart,
zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking
als aangewezen is. _Hij is een ~bekwaam~ timmerman; een ~bekwaam~
onderwijzer._
~Geschikt~ wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte
vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder
bruikbaar is. _Ik weet een ~geschikte~ dienstbode voor u._
~Knap~ duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen
of in een bepaald vak: _Hij is een ~knap~ man.--Mijn broer is zeer
~knap~ in de geschiedenis._ Een onderwijzer kan knap en toch niet
bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is ~knap~ tot de
spreektaal beperkt en behoort ~kundig~ meer tot de schrijftaal.
* * * * *
Een -- werkman vindt overal werk.
In uw geval zou ik een -- advocaat raadplegen.
Wij hebben een -- kindermeisje gevonden.
Wie is de -- van deze jongens?
Johan de Witt was een -- rechtsgeleerde en een -- staatsman, die zeer --
was om de buitenlandsche zaken te leiden.
Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel
--.
Hij is een -- godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor
predikant niet --.
Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg -- in zijn vak is, maar voor
verstelwerk is hij wel --.
Deze hoogleeraar is een -- oriëntalist.
Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet
gij een -- architect zoeken.