177. Bekwaam--geschikt--kundig--knap.

_De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten._

~Kundig~ onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van

een zeker vak opgedaan. _Hij is een ~kundig~ rechtsgeleerde._

~Bekwaam~ wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart,

zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking

als aangewezen is. _Hij is een ~bekwaam~ timmerman; een ~bekwaam~

onderwijzer._

~Geschikt~ wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte

vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder

bruikbaar is. _Ik weet een ~geschikte~ dienstbode voor u._

~Knap~ duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen

of in een bepaald vak: _Hij is een ~knap~ man.--Mijn broer is zeer

~knap~ in de geschiedenis._ Een onderwijzer kan knap en toch niet

bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is ~knap~ tot de

spreektaal beperkt en behoort ~kundig~ meer tot de schrijftaal.

* * * * *

Een -- werkman vindt overal werk.

In uw geval zou ik een -- advocaat raadplegen.

Wij hebben een -- kindermeisje gevonden.

Wie is de -- van deze jongens?

Johan de Witt was een -- rechtsgeleerde en een -- staatsman, die zeer --

was om de buitenlandsche zaken te leiden.

Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel

--.

Hij is een -- godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor

predikant niet --.

Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg -- in zijn vak is, maar voor

verstelwerk is hij wel --.

Deze hoogleeraar is een -- oriëntalist.

Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet

gij een -- architect zoeken.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 194 / 279 题