_Heen en weer gaan of trekken._
~Dwalen~ duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel
voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid
(vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te
vinden. _Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg
vergeten en heb langen tijd ~gedwaald~._
~Dolen~ wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de
dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de
goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan ~dwalen~.
_Wacht u voor een ~dolenden~ gids._
~Zwerven~ wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op
dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat
men geen vaste woonstede heeft. Een _zwervende_ volksstam. _Door de
bosschen te ~zwerven~ is een genot._ (In dezen zin gebruikt men ook wel
_dwalen_, maar dit is minder juist; immers bij _dwalen_ denkt men aan
den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in _zwerven_ niet
ligt opgesloten.) Verklaar nu:
Een donkre den bekroont den heuvelspits,
Een trotsche boom en de eenige in den omtrek.
Gelijk een vinger, wenkend wie daar _doolt_,
Wijst hij den weg den _afgedwaalden zwerver_.
(Hélène Swarth.)
* * * * *
Als de herder --, -- de schapen.
Een marskramer leidt een -- leven.
Don Quichot wilde evenals de -- ridder op avonturen uitgaan.
Ik geloof, dat gij op den -- weg zijt vervallen.
In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden --hof.
De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn --.
De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op
de Gooische heide aan het --, zoodat de aanslag mislukte.
Ik geloof, dat gij hierin --; een ander heeft, naar ik meen, het
weefgetouw uitgevonden.