181. Dalen--vallen--storten--zinken--zakken.

_Een beweging naar beneden._

~Dalen~ wijst op een langzame beweging naar beneden toe, in

tegenstelling met rijzen, terwijl ~vallen~ aanduidt, dat die beweging

sneller gaat tengevolge van de aantrekkingskracht der aarde (het

voorwerp heeft dus geen ondersteuning meer). _Men liet gas uit de ballon

ontsnappen om op de heide neer te ~dalen~.--Een der mannen boog zich te

ver over het schuitje en ~viel~ naar beneden._ Geschiedt dit vallen van

een aanzienlijke hoogte of onverwacht, dan spreekt men van ~storten~.

_De Alpenjager verloor het evenwicht en ~stortte~ in een afgrond._

~Zakken~ en ~zinken~ duiden aan, dat de stof, waarop iets moet rusten

(water, modder, sneeuw, enz.), niet voldoende ondersteuning biedt.

Verdwijnt het voorwerp geheel in die stof, zoodat het niet meer

zichtbaar is, dan spreekt men van ~zinken~. _Wij ~zakten~ tot de enkels

in de modder.--Het schip kreeg een lek en ~zonk~ in de diepte._ (Waarom

kan men niet zeggen: de jager _zakte_ of _zonk_ in den afgrond?) Soms

ook duidt ~zakken~ alleen aan, dat het voorwerp een lageren stand dan

te voren inneemt: _de ballon ~zakte~_. Van het water kan men zeggen,

dat het _daalt_, _valt_ en _zakt_. ~Dalen~ duidt eenvoudig aan, dat de

waterspiegel lager wordt, vooral in tegenstelling van rijzen: _Vroeger

schijnt de zee meermalen gerezen en weer ~gedaald~ te zijn._ ~Vallen~

zegt, dat de lager geworden waterstand met een bepaald peil wordt

vergeleken: _de rivier is van nacht 2 cM. ~gevallen~_.--~Zakken~ zegt

eenvoudig, dat het peil in betrekking tot een vroeger merk lager is

geworden: _Het water is vannacht ~gezakt~._ (Waarom kan men hier niet

spreken van _zinken_?)

* * * * *

Bij eb -- het water, bij vloed rijst het.

Wij -- tot de knieën in de sneeuw.

De arme man sloeg over boord en -- in de diepte.

De bloesems -- als een zachte regen neder.

Groote hagelsteenen -- uit de lucht.

De moed is hem in de schoenen --.

De sterke drank doet menigeen in het ongeluk --.

Wacht een poosje, tot zijn drift wat -- is.

Hij is in ongenade --.

Een huis, dat --, moet nieuwe fundamenten hebben; een huis, dat --,

verdwijnt weldra geheel in den lossen grond.

Hij was niet standvastig genoeg en -- voor de verleiding.

»'k Zie de starren -- aan den stillen trans."

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 198 / 279 题