_aanbevelen_, 211.
_aanbieden_, 225.
aanbrengen, 156.
aandachtig, 102.
_aandeel_, 218.
aandenken, 176.
aandoen, 153.
_aangaan_, 210.
aangenaam, 165.
aangeven, 156.
aangezicht, 69.
aanhouden, 76.
aanklagen, 156.
aankondigen, 111.
aanmerken, 27.
aannemen, 120.
_aanprijzen_, 211.
aanroepen, 114.
aansprakelijk, 26.
aanstonds, 148.
aantreffen, 147.
aanvaarden, 120.
aanwezig, 25.
_achten_, 192.
aarzelen, 184.
achteloos, 137.
achterdocht, 93.
_achterhalen_, 198_bis_.
achterlaten, 61.
achting, 63.
afbeuren, 93.
afbreuk, 87.
_afgeleefd_, 217.
afgelegen, 28.
afgemat, 151.
afgrijzen, 158.
afgunst, 138.
afhakken, 98.
afhouden, 169.
afbouwen, 98.
afkappen, 98.
afkeer, 158.
afkeeren, 145.
_afkomst_, 231.
afleiden, 145.
aflichten, 95.
afnemen, 95, _223_.
afschaffen, 136.
afschrijven, 146.
afschrik, 158.
afschuw, 158.
afslaan, 98, 109.
_afstamming_, 231.
afstand, 115.
afwachten, 144.
afwennen, 32.
afwenden, 145.
aftrekken, 145.
afweren, 109.
afzetten, 95.
alledaagsch, 13.
allerwegen, 110.
alom, 110.
altijd, 135.
altoos, 135.
ambacht, 142.
ambt, 143.
angst, 166.
_arbeid_, 219.
arglistig, 159.
argwaan, 93.
arm, 94.
armoedig, 94.
armzalig, 91.