_Van richting doen veranderen._
~Afkeeren~ onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het
naderende voorwerp weet te doen _keeren_, d.i. draaien in tegengestelde
richting. Ook _wenden_ beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een
zijdelingsche richting. _Een gevaar ~afkeeren~_ wil dus zeggen: maken,
dat het zich weer in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat
het teruggaat; _het gevaar ~afwenden~_ beteekent: het gevaar een andere,
zijdelingsche richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een
ander treft. ~Afkeeren~, dat dus een rechtstreeksch optreden, een
afdoenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan ~afwenden~;
hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan.
~Afleiden~ is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een
langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan,
doch men leidt ze, zooals men ze verlangt. _Toen zij in haar onderhoud
die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het
gesprek daarvan ~af te leiden~._
~Aftrekken~ is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de
richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder
kracht geschiedt. (Denk aan _trekken_!) _Hij heeft zich van de wereld
~afgetrokken~, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden._
* * * * *
Het gevaar voor een vijandelijken inval werd --, doordat de regeering de
grenzen geducht liet versterken.
Het gevaar, dat ons huis door de vlammen zou worden aangetast, werd --,
doordat de wind draaide.
Mijn aandacht werd door dit tooneel zoo --, dat ik niet meer op mijn
gezelschap lette.
Om verdere overstrooming te voorkomen, zal men een een gedeelte van het
rivierwater --.
Gij moet trachten zijn treurige gedachten wat --.
Na zooveel ondankbaarheid van zijn gunsteling te hebben ondervonden,
heeft de vorst zich geheel van hem --.
Het voetvolk -- den aanval der ruiterij af, doch hiermee was alle gevaar
voor het leger niet --.