_Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is
aangesteld._
~Ambt~ onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en
ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben
afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht
toe benoemd.--~Bediening~, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men
als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven
beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel
ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.--Bij het woord
~waardigheid~ denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de
betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin
bekleeden een waardigheid.--~Post~ ziet meer op een betrekking, waarbij
het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk
met ambt genomen: _Hij bekleedde jarenlang een eervollen ~post~._ Soms
stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: _Een
vette ~post~._
* * * * *
Een griffier bekleedt een --.
De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een --.
De Rijksontvanger bekleedt een -- of --.
De predikant neemt een -- waar of bekleedt een --.
De familie-regenten schonken alle voordeelige -- aan hun verwanten.
(Waarom hier niet waardigheid of ambt?)
De notaris werd uit zijn -- ontzet.
Aan den Prins werden alle -- zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.