143. Ambt--waardigheid--bediening--post.

_Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is

aangesteld._

~Ambt~ onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en

ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben

afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht

toe benoemd.--~Bediening~, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men

als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven

beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel

ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.--Bij het woord

~waardigheid~ denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de

betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin

bekleeden een waardigheid.--~Post~ ziet meer op een betrekking, waarbij

het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk

met ambt genomen: _Hij bekleedde jarenlang een eervollen ~post~._ Soms

stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: _Een

vette ~post~._

* * * * *

Een griffier bekleedt een --.

De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een --.

De Rijksontvanger bekleedt een -- of --.

De predikant neemt een -- waar of bekleedt een --.

De familie-regenten schonken alle voordeelige -- aan hun verwanten.

(Waarom hier niet waardigheid of ambt?)

De notaris werd uit zijn -- ontzet.

Aan den Prins werden alle -- zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 160 / 279 题