_Overdreven begeerig, om geld en goed te bezitten._
~Hebzuchtig~, ~schraapzuchtig~ en ~inhalig~ duiden aan, dat men zijn
bezit wil vermeerderen, een »nemen"; ~vrekkig~, ~gierig~ en ~karig~
geven te kennen, dat men zijn bezit zooveel mogelijk tracht te behouden,
een »niet-missen."
~Hebzuchtig~ is hij, die alles zelf wil hebben ten koste van anderen, en
wien het leed doet, dat hij niet alles heeft; ~inhalig~ wijst aan, dat
men zooveel mogelijk naar zich toe tracht te halen. ~Hebzuchtig~ ziet
meer op een eigenschap van het karakter; ~inhalig~ doelt meer op een
daad, waaruit die hebzucht spreekt. Die daad op zich zelf is wel niet
noodzakelijk onrechtvaardig, maar wordt toch zeker niet geprezen. De
inhalige zal bijv. op ieder halfcentje zien, waar een ander dat zou
schenken; hij laat zich een rekening van bijv. f 15.25,5 ook met dat
halfje betalen. Bij een erfenis zal hij dingen van geen of weinig waarde
nog willen verkoopen, om zooveel mogelijk »binnen te halen".
De ~schraapzuchtige~ is ook hebzuchtig; hij wil overal nog iets van
afschrapen, wat een ander niet doen zou, doordat het de moeite niet
loont. Hij verbiedt bijv. den armen drommel op zijn landgoed een paar
takkenbossen te sprokkelen: hij verlangt er geld voor.
~Karig~, ~gierig~ en ~vrekkig~ duiden aan, dat men zoomin mogelijk wil
missen van zijn overvloed. ~Karig~ drukt dit het minst sterk uit; wie
karig is, geeft weinig, en wat hij geeft, geeft hij slechts noode.
~Gierig~ en ~vrekkig~ zijn veel sterker en duiden bovendien aan, dat
men door hebzucht gedreven wordt, wat karig niet onderstelt. Bij een
gierigaard klopt een hulpbehoevende te vergeefs aan. Wordt de gierigheid
zoover gedreven, dat men hard en onbillijk wordt tegenover anderen,
ja--dat men ook zich zelf niet meer het noodige gunt, dan spreekt men
van ~vrekkig~.
* * * * *
Wie bij alles toont, zichzelf het eerst en het meest te willen bedenken,
is --.
Wie bij een inzameling voor een watersnood van zijn schatten slechts
weinig offert, is --; wie niets wil geven, is --; wie daarbij de
inzamelaars nog onheusch bejegent en over dat »eeuwig gebedel"
lamenteert, is --.
De rijkaard, die te midden zijner schatten vrijwillig half gebrek lijdt,
is --.
Wie de appels, die van zijn boom in buurmans tuin vallen, nog laat
oprapen, is --.
De boer, die zijn armen daglooner nog een kan karnemelk laat betalen, is
--; als hij den knecht wegens ziekte een halven dag loon kort, is hij
--.
De natuur heeft dit land -- bedeeld. (De natuur wilde zoo min mogelijk
van haar overvloed voor dit land missen.)