_Wat gebogen kan worden._
~Buigbaar~ duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden,
terwijl ~buigzaam~ te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn
innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok
is _buigbaar_, een glazen staaf niet; een stuk gummi is _buigzaam_.
Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke
beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: _Hij
heeft een ~onbuigzaam~ karakter_, dat wil zeggen: hij toont in zijnen
geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich _niet licht_ door een ander
laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is
dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.--_Door zijn
~onbuigbaren~ trots berokkende hij zich vele vijanden_, d.w.z. zijn
trots was zóó sterk, dat hij zich _door niets_ liet buigen. Gewoonlijk
heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.
* * * * *
Zijn -- koppigheid ben ik eindelijk moede.
Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, -- en rijk.
Als men een glazen buis verwarmt, is zij --.
Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen
brengen: hij heeft een -- wil.
Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend:
zij hoopten, dat het -- zou wezen. (Beets.)