65. Noodzaken--dwingen--dringen.

_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._

~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt;

de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De

vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de

brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te

worden._

~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood

der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft

dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt

door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der

omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de

schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._

~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het

onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van

beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte

menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de

minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn

onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._

* * * * *

De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven.

Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen.

Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw

medewerking.

Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te

bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.

Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te

brengen.

Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man

waarschuwen.

Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 75 / 279 题