_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._
~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt;
de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De
vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de
brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te
worden._
~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood
der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft
dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt
door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der
omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de
schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._
~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het
onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van
beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte
menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de
minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn
onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._
* * * * *
De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven.
Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen.
Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw
medewerking.
Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te
bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.
Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te
brengen.
Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man
waarschuwen.
Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien.